Blootsvoets

Blootsvoets

Afgelopen week was het avondvierdaagse. Dat weet ik tegenwoordig nooit meer zomaar, omdat mijn spruit inmiddels de leeftijd van het avondvierdaagse lopen ver is gepasseerd. Ik moet het hebben van de plotselinge aanwezigheid van vele kinderstemmen op straat. Geroezemoes, gelach, gejuich.

Zelf liep ik blootsvoets door mijn tuin, gedachteloos te zwerven door de vele hoekjes. Hoewel niet overal, op grind lopen, waar tegenwoordig de hortensia enclave is aangelegd, is blootsvoets niet aan te raden. Grind is al pijnlijk; daarnaast hebben zich in het grind diverse takjes verzameld uit omliggende bomen, gesnoeid én gewaaid.

Plots klonken er kinderstemmen. En niet zomaar, er klonk een klas. Wel vier. Een beetje gek voor een doordeweekse dinsdag. Met mijn nieuwsgierige geest besloot ik, nog steeds op blote voeten, een kijkje te nemen. Voorzichtig strompelend (grind op het pad en warme stoep) begaf ik me naar de hoek van de straat, waar een kleurig lint van kinderen voorbijtrok. Met liedjes, snoep, citroenen, zakdoek en een vlag.

Ontroerd bekeek ik het uitgelaten gezelschap. Het leek zo lang geleden dat ik als kind met onze school door een wijk wandelde, in plaats van alleen maar de recreatievelden vanwege veiligheid enzo. Wel viel me op dat er dit jaar meer kinderen dan ouders liepen. Eindelijk. Je moet van zo’n avondvierdaagse ook helemaal geen ouderfestijn maken. Dat vinden kinderen helemaal niet leuk. En het positief ontwortelen, anders gezegd het leren loslaten van je kind, verloopt stukken beter wanneer je je kind als ouder ook regelmatig gewoon eens met rust laat in zijn wereld.

In mijn Avondvierdaagse tijd bestond het ook niet. Dat oudergedoe, de bemoeienis. Je ging gewoon lopen met een groep van wel twintig/dertig kinderen, met één juf of meester en één of twee hulpouders. Meer niet, meer was niet nodig. Een ferme blik was genoeg. Nu zal het verkeer ongetwijfeld minder gevaarlijk zijn geweest in je jaren ’80 maar ook destijds liepen we in het aan de wijk grenzende natuurgebied. Slechts één avond in de wandelweek liepen we door de bewoonde wereld. Altijd ging de route door de immer groene Molenwijk en het lieflijke Tuindorp Oostzaan, in Noord. Paralel aan de Meteorenweg heb je daar een prachtige groenstrook gelegen (het is eigenlijk best klein nu ik het opschrijf) en ik weet nu nog dat het voelde alsof ik mijlenver van huis was, dwalend in een echt stadsbos.

Halverwege elke avondvierdaagse avond – als niemand keek nog wat eerder – gingen de schoenen uit (blaren, wrijfplekken) en liep ik blootsvoets verder. Niet alleen bij mij, veel kinderen hadden last van blaren, gewend als we waren om vanaf mei op slippers te lopen in plaats van op dichte schoenen. Blootsvoets voltooiden we de avondvierdaagse. Het kon, we werden niet gehinderd door panikerende ouders die jammerden dat zulks toch echt niet kon. Anno 2019 noemen we blootsvoets lopen overigens anders, namelijk contact maken met de aarde. In 1980 liepen we gewoon fijn op onze blote kakken.

Helemaal achteraan de bonte stoet van dinsdagavond loopt een meisje. Een meisje van een jaar of elf met kort haar, haar benen in een korte broek gestoken. Ze ziet er een beetje jongensachtig uit. In haar hand houdt ze de nog immer beroemde citroen-in-zakdoek. Ze loopt ontspannen, met verende tred, op haar blote voeten. Ze kijkt mijn kant op, ik steek mijn duimen op en wijs naar mijn blote voeten. Breed grijnzend steekt ze eveneens haar duimen op en maakt een “shhhht” gebaar en wijst achter zich. In de oranje gloed van het lage zonlicht ontwaar ik een achteropgelopen moeder of misschien is het de juf. Ze strompelt op gouden birckenstocks. Met de vlag in haar hand, als slotstuk.

Ontroerd struikel ik over het grindpad weer terug naar huis. Sommige dingen veranderen nooit en dat is helemaal goed, het is zoals het mag zijn.

Moeders

Moeders

Wanneer ik aan het begrip moeder denk, denk ik altijd eerst aan mijn eigen moeder. Aan haar honderd verschillende glimlachen, haar melancholie, haar verbeeldingskracht. Haar wil om te ontwikkelen, te kunnen fietsen. Ook denk ik aan haar moeder, mijn oma.

Toevallig dacht ik vorige week nog aan oma, onderweg naar Wijchen met drie keer een trein overstap en met uiteraard de allermooiste verbinding die er is, jawel de Noord Zuidlijn. De enkele reis had bijna 4 uur geduurd en toch wilde ik erheen, met mijn hoofd vol snot en flinke keelpijn.

Onderweg in de trein had ik me enkele zaken gerealiseerd. Waarom had ik in vredesnaam een congres van 122 kilometer ver weg willen bezoeken over HSP? Omdat de nieuwsgierigheid het zou winnen van het snot en de paracetamol (dat laatste hoopte ik). Ten tweede wist ik dat ik veel nieuwe informatie mocht opnemen. Wetenschappelijke informatie en sinds mijn 45+ zit mijn brein verlegen om alle wetenschappelijke informatie omtrent HSP die ik maar kan vinden. Opdat ik snap, weet, begrijp en mijn eigen gebruiksaanwijzing kan schrijven.

Terwijl het spoor onder me weggleed, besefte ik me eveneens dat ik niet alleen op mijn moeder lijk – qua honger naar informatie. Ook lijk ik op mijn grootmoeder van moeders zijde. Zij had in de jaren ’70 al een seniorenkaart van de NS. Niet zo bijzonder want die kaart bestond toen al, maar mijn oma was al meer dan dertig jaar weduwe, altijd alleen gebleven en ging derhalve altijd alleen op stap. Vrolijk en wel, altijd op zoek naar avontuur. Anno 2019 is dat niet meer bijzonder, destijds was dat het wel.

Soms had ze besloten om koffie (of een borreltje) te gaan drinken in Maastricht, gewoon omdat het kon. Met misschien onderweg in Heerlen even uit te stappen voor museumbezoek. Soms kon ze halverwege rechtsomkeert maken en dan toch liever richting Groningen afreizen. Omdat het beter voelde. Ondanks de vele verliezen die mijn oma heeft geleden beschouwde zij het leven als één groot avontuur, een levende speeltuin.

Diep in mijn hart voel ik dat ook zo. Dus boek ik regelmatig een online NS kaart naar Groningen. Of naar Wijchen, voor een symposium. Of ik reis naar Leeuwarden, omdat er een tentoonstelling van Rembrandt en Saskia in het Fries Museum is. Ik vind het leuk om Nederland per trein uit te pluizen. Om vervolgens te ontdekken dat wanneer we de klaphekken van Friesland zijn gepasseerd, er een blij gevoel vanuit mijn borststreek opstijgt. Het gebeurt overigens ook wanneer ik de Afsluitdijk passeer op weg naar Franeker of Harlingen. Kom ik thuis? Het zou zomaar kunnen; overgrootmoeder van vaders zijde, de moeder van mijn oma, ook de buurvrouw, was van Friese afkomst.

In Wijchen aangekomen bedacht ik me in de trein, dat wanneer ik aan het begrip moeders denk, dat iedereen behalve ikzelf, in mijn hoofd opkomt. Dat is best een beetje gek, gegeven het feit dat ik bijna twintig jaar geleden het leven schonk aan een fantastisch kind. Die prachtzoon van wie ik elke dag leer, dat het leven een proeftuin is en dat je op elk onderdeel iets kunt leren. Dat je met sommige apparaten wat meer geduld moet hebben dan met andere. Maar dat elke les er eentje is en de moeite waard is. Mijn zoon, wars van status en macht, die een hekel had aan leren en desondanks ontwaakte op het ROC, voor mechatronica. Waarmee hij genoeg nieuwsgierigheid ontwikkelde om door te stromen naar het HBO.

Mijn kind. Mijn geweldige kind, hij maakte mij moeder. Hoe kon en hoe kan ik dat vergeten? Als reminder, aandenken van mijn bestaan, heb ik daarom vandaag een kleine herinnering aan mijn moederschap op mijn rechter onderarm laten zetten. Blijkbaar heb ik een continu herinnering nodig. Opdat ik niet vergeet.